← Terug naar overzicht Luisteren A1 Een man bestelt een kopje koffie in een café en rekent af bij de medewerker. Lees mee (transcript)Medewerker: Goedemorgen. Wat wilt u drinken? Klant: Goedemorgen. Een grote koffie met melk, alstublieft. Medewerker: Wilt u daar ook een koekje bij? Klant: Nee, dank u. Alleen de koffie. Wat kost het? Medewerker: Dat is twee euro vijftig. Klant: Hier is drie euro. Het is goed zo. Medewerker: Dank u wel. Fijne dag! 1. Wat wil de man drinken? A. Thee B. Koffie C. Water 2. Wat wil de man in zijn koffie? A. Suiker B. Niks C. Melk 3. Wat vraagt de medewerker nog meer? A. Of de man een koekje wil. B. Of de man een broodje wil. C. Of de man een stuk taart wil. 4. Hoeveel kost de koffie? A. Twee euro (€ 2,00) B. Twee euro vijftig (€ 2,50) C. Drie euro (€ 3,00) 5. Hoeveel geld geeft de man aan de medewerker? A. Twee euro B. Twee euro vijftig C. Drie euro Volgende oefening → ← Terug naar overzicht