Salta al contenuto principale

Verwijswoorden: die of dat?

Grammatica B1
De kinderen
op de schommels zitten, moeten nu naar binnen.

I bambini che sono sugli altalene devono entrare ora.

Het speelgoed
in de zandbak ligt, is van Milan.

Il giocattolo nella sabbiera appartiene a Milan.

De juffrouw is blij met de tekening
Emma heeft gemaakt.

The maestra è felice del disegno fatto da Emma.