← Terug naar overzicht Luisteren A1 Een klant koopt een bruin brood bij de bakker en rekent contant af. Lees mee (transcript)Bakker: Hallo. Wat wilt u? Klant: Goedemorgen. Ik wil een bruin brood. Bakker: Alstublieft. Dat is drie euro. Klant: Hier is vijf euro. Bakker: Dank u wel. En twee euro terug. Klant: Dank u wel. Dag! Bakker: Fijne dag! Dag! 1. Wat wil de klant kopen? A. Een wit brood. B. Een bruin brood. C. Een cake. 2. Hoeveel kost het brood? A. Twee euro. B. Drie euro. C. Vijf euro. 3. Hoeveel euro geeft de klant aan de bakker? A. Drie euro. B. Twee euro. C. Vijf euro. 4. Hoeveel geld krijgt de klant terug? A. Twee euro. B. Drie euro. C. Vijf euro. 5. Waar zijn de mensen in dit gesprek? A. In een supermarkt. B. Bij de bakker. C. In een restaurant. Volgende oefening → ← Terug naar overzicht