Skip to main content

Onderweg met het OV: Tegenwoordige Tijd

Onderweg met het OV: Tegenwoordige Tijd A2
Elke ochtend
ik naar mijn werk. (gaan)

Every morning I go to my work.

Ik
meestal met de bus. (reizen)

I usually travel by bus.

Nu
ik bij de bushalte. (staan)

Now I am standing at the bus stop.

De bus
over twee minuten. (komen)

The bus will arrive in two minutes.

Veel mensen
al. (wachten)

Many people are already waiting.

Mijn OV-chipkaart
in mijn portemonnee. (zitten)

My public transport card is in my wallet.

De bus
voor mij. (stoppen)

The bus stops in front of me.

Ik
in en check in. (stappen)

I get in and check in.

De buschauffeur
de motor weer. (starten)

The bus driver starts the engine again.

Ik
een vrije plaats. (zoeken)

I look for a free seat.