Przejdź do treści

Een bezoek aan de bank of het postkantoor

Een bezoek aan de bank of het postkantoor A2
Ik
een nieuwe spaarrekening. (openen)

Otwieram nowe konto oszczędnościowe.

De bankmedewerker
mij vriendelijk. (helpen)

Pracownik banku mi przyjaźnie pomaga.

Jij
het formulier snel in. (invullen)

Szybko wypełniasz formularz.

Wij
even in de rij. (wachten)

Czekamy chwilę w kolejce.

De klant
zijn rekening met de pinpas. (betalen)

Klient płaci rachunek kartą debetową.

U
misschien een vraag over uw lening? (hebben)

Czy masz może pytanie dotyczące swojego kredytu?

Zij
een belangrijk pakketje naar het buitenland. (versturen)

Ona wysyła ważną paczkę za granicę.

Het postkantoor
om vijf uur. (sluiten)

Poczta zamyka się o piątej.

Jullie
hier ook paspoortfoto's maken. (kunnen)

Wy możecie tutaj zrobić zdjęcia paszportowe.

Ik
later nog geld opnemen. (moeten)

Muszę później jeszcze wypłacić pieniądze.