Salta al contenuto principale

De Zomerse Tuin of het Balkon (Tegenwoordige Tijd)

De Zomerse Tuin of het Balkon (Tegenwoordige Tijd) A2
Ik
op het balkon. (zitten)
De zon
vandaag heerlijk. (schijnen)
Mijn buurman
in zijn tuin. (werken)
Ik
een goed boek. (lezen)
Soms
ik de vogels zingen. (horen)
Mijn planten
goed. (groeien)
Ik
ze elke dag water. (geven)
Mijn kat
op een stoel. (slapen)
Wij
koffie in de tuin. (drinken)
Het
een rustige middag. (zijn)