Apothekersassistente: Goedemiddag. Kan ik u helpen?
Meneer Jansen: Ja, ik kom medicijnen ophalen voor mijn dochter, Sophie Jansen.
Apothekersassistente: Wat is haar geboortedatum?
Meneer Jansen: Haar geboortedatum is vier april tweeduizend twaalf.
Apothekersassistente: Ja, ik zie het. Het is een drankje tegen de hoest. Ze moet twee keer per dag vijf milliliter nemen.
Meneer Jansen: Moet ze dat voor of na het eten innemen?
Apothekersassistente: Het liefst na het eten. En bewaar het flesje in de koelkast.
Meneer Jansen: Duidelijk, dank u wel.