Перейти до основного вмісту

Tegenwoordige tijd: In de apotheek

Tegenwoordige tijd: In de apotheek A2
Ik
naar de apotheek. (gaan)
Ik
iets tegen hoofdpijn. (zoeken)
De apotheker
bij de balie. (staan)
Ik
om paracetamol. (vragen)
Zij
in haar computer. (kijken)
Ze
uit hoe ik het moet gebruiken. (leggen)
Ik
twee pakjes mee. (nemen)
Ik
met mijn pinpas. (betalen)
Zij
mij de bon. (geven)
Ik
dat de pijn snel verdwijnt. (hopen)